Kijk ook eens bij de
vragen en reacties
of heeft u zelf een tip?

Over (bij)vangsten tijdens ‘de bereiding’ van het boek “Alles van melk”


Pim Reinders
Onderzoek naar de geschiedenis van de Nederlandse zuivelindustrie voor het boek ‘Alles van Melk’ dat ik samen met Aad Vernooij heb geschreven, is als een verblijf in een rijke, maar onbekende keuken met vele onvermoede en onbekende ingrediënten in (digitale) voorraadkasten. Je weet dat je een Hollandse keuken staat en dat je een Hollandse pot gaat bereiden, maar hoe het menu er precies uit zal zien en hoe de gerechten zullen smaken, daar heb je nog geen idee van. Laat staan van de vele verrassingen die je onderweg te wachten staan of van de ‘bijvangsten’ die je doet.

Marseille
Bijvoorbeeld. Het is begin jaren 20. De Coöperatieve Condensfabriek Friesland (CCF) wil zijn vleugels uitslaan en zoekt nieuwe afzetgebieden. Een in 1963 verschenen gedenkboek over het bedrijf verhaalt over de aanstelling van een agent in Marseille, een monsieur Aussal. Hij verkoopt de gecondenseerde melk in de regio en brengt het product onder de merknaam ‘Bébé Hollandais’ naar Noord-Afrika. In het boek staat een fraaie foto van zijn met Hollandse koeien gedecoreerde auto. Maar verder? Wie was Aussal, hoe verliep die distributie, wat moeten we ons bij die start voorstellen? De archieven van de CCF kunnen ons niet helpen. Die zijn enkele decennia geleden grotendeels geruimd. En even naar Marseille reizen om daar in kranten en archieven te gaan spitten valt buiten het bereik van het onderzoek. De digitale voorraadkast biedt kansen. We speuren uren naarstig naar en in gedigitaliseerde regionale Franse kranten. Uiteindelijk wordt het zoeken beloond. Monsieur Aussal, nu met de voorletter E., adverteert in 1921 in de Presse Midi met een personeelsadvertentie waarin hij een commissionair zoekt die in naam van een ‘zeer belangrijke condensfabriek met jaarlijks honderd miljoen transacties’ de departementen Hérault en Haute Garonne kan gaan bewerken. Een overwachtte, prachtige bijvangst. Past goed in het fotobijschrift bij de auto van monsieur E. Aussal.

Melkwol, voedsel voor poëzie
Ander voorbeeld. We zijn bezig de herkomst van melkwol uit te zoeken en na te gaan hoe de introductie ervan in Nederland verliep. Het blijkt een Italiaanse vinding uit 1936, gedaan bij Viscosa een kunstvezelconcern in Milaan. Het fascistische Italië van Mussolini was net als Hitler-Duitsland op zoek naar producten van eigen makelaardij, waar geen import uit andere landen van grondstoffen of halffabricaten aan te pas hoefde te komen. Zelfvoorziening was het credo. Die autarkische economische politiek was een belangrijke stimulans achter de vinding van melkwol, een uit caseïne (melkeiwit) gewonnen en gesponnen kunstzijde. De Italianen waren er in 1938 bij toen in Bunschoten de coöperatieve zuivelfabriek ‘Eemlandia’ onder licentie een productie-afdeling voor texiel-caseïne opende. De opbrengst ging naar Viscosa. Al zoekende naar de details van dit verhaal stuit ik op ‘Il poema del vestito die latte’, ofwel ‘Het gedicht van de jurk van melk’ geschreven door niemand minder Marinetti, voorman van het Italiaanse Futurisme, een in 1910 ontstane internationale kunststroming. Het gedicht blijkt apart als reclame uitgegeven. Een evenzo leuke ‘bijvangst’ is de illustratie die ik van de uitgave vind in de collectie van het Wolfsonian Museum in Miami. De ontwerper ervan is van Bruno Munari, een andere beroemde Italiaanse kunstenaar.

Nescio, Achterberg en Last
Van een heel andere aard is de bijvangst die Aad Vernooij mij aanreikte. Ik had hem verteld over het begin 1943 door Nescio geschreven verhaal Insula Dei met daarin de beschrijving van kleumende mensen die met melkkokers in de hand in de sneeuw bij melkslijter van V.A.M.I. op hun beurt stonden te wachten. Een tijdje later belde Aad mij op. Hij had de aan het begin van de 20e eeuw geschreven beroemde verhaal Dichtertje van Nescio herlezen. Daarin treft de hoofdpersoon zijn lief die net uit ‘uit de melkinrichting kwam, waar zij haar boterhammen met een glas melk at en soms een roomhorentje of een taartje met slagroom’. Dit fraaie citaat kwam goed van pas in een bijschrift bij een foto van een Haagse melksalon. In dezelfde sfeer lag de achtergrond rond het gedicht ‘De melkknecht’ van Gerrit Achterberg. Journalist Wim van Amerongen stipte in zijn in 2010 verschenen boek In het spoor van Achterberg aan hoe de melkknecht werkzaam op het landgoed van graaf Van Lynden Sandenberg model kan hebben gestaan voor het vers. De vader van Achterberg was lange tijd werkzaam op dit landgoed in Nederlangbroek en werd later pachtboer van de graaf. Achterberg zelf was tussen 1934 en 1937 in dienst van de Crisis Vee Centrale in Utrecht waar hij als ambtenaar derde klasse de vlekkenverdeling van kalveren schetste en administreerde.
En nu we het hier toch over de literaire bijvangsten hebben vermeld ik nog de vondst van een gedicht over de schillenboer, in 1930 geschreven door de socialistische schrijver Jef Last. Sloot perfect aan bij een affiche uit 1948 waarin het publiek werd opgeroepen toch vooral de schillen voor de schillenboer te bewaren. Daarmee werden melkvee en varkens bijgevoerd. ‘Geeft schillen ! Want: minder schillen betekent minder melk’, aldus het door het toenmalige ministerie van Landbouw en Voedselvoorziening uitgegeven affiche.

‘t Hogeland, kraamkamer van de Nederlandse landbouwpolitiek
Meer hoofd- dan bijvangst was de constatering van de familiaire- en in zekere zin politieke verwantschap tussen de mannen die in hoge mate de Nederlands landbouwpolitiek hebben vormgegeven, Stephan Louwes en Sicco Mansholt. Beiden hebben hun wortels in ’t Hogeland, de streek in het noordwesten van de provincie Groningen en waren neven. Beiden voelden zich geïnspireerd door de somstijds radikale denkbeelden van Derk Roelof Mansholt, de grootvader van Sicco, en door een tweede huwelijk stiefgrootvader van Stephan. Derk Roelof correspondeerde met Multatuli en toonde, opmerkelijk voor een Groninger hereboer, zich enige tijd medestander van Domela Nieuwenhuis.
Stephan Louwes kan worden gezien als de architect van de landbouwcrisispolitiek uit de jaren 30 en meer nog van de landbouwpolitiek tijdens de Tweede Wereldoorlog. Toen was hij als directeur-generaaal van het daarmee belaste Rijksbureau verantwoordelijk voor de voedselvoorziening in Nederland. Na de oorlog borduurde landbouwminister Sicco Mansholt voort op dit door Louwes ingezette beleid van heffingen, schaalvergroting en subsidies. De broer van Louwes, Herman Derk, zette het landbouwbedrijf van zijn vader voort, maar zette net als Stephan en Sicco, zijn stempel op de Haagse landbouwpolitiek, niet als socialist, maar als liberaal zat hij voor en na de Tweede Wereldoorlog in het parlement. De historicus H.M.L Geurts portretteerde hem in een in 2002 verschenen proefschrift niet voor niets als ‘de burgemeester van de Nederlandse landbouw’. Het zou interessant zijn om de relaties en achtergronden van al deze mannen nog eens te onderzoeken en met elkaar in verband te brengen. Maar dat is een andere menu.

Pim Reinders (mei 2014)